Afkomstig uit een totaal andere muziekcultuur, waren deze artiesten qua podiumpresentatie maar vooral door hun technische begaafdheid uitstekend in staat om het hart en de ziel van de rock-‘n-roll aan het Nederlandse en Europese publiek te laten horen. Hoewel deze muziek vooral werd gespeeld van midden jaren vijftig tot midden jaren zestig, met een bloeiperiode in 1960-1963, is de stijlnaam ‘indorock’ in 1975 door liefhebbers van het genre verzonnen en pas in de jaren tachtig algemeen bekend geworden.

Specifiek voor de manier van spelen van de Indische bands was onder andere de zogenaamde ‘Gadahngang’ (d.i. het tokkelen), die afkomstig was uit de krontjongmuziek, en de dubbele slag in de afterbeat. Door Nederlanders werd dit ook wel aangeduid als “plenken”, hetgeen waarschijnlijk afkomstig is van het Engelse woord “plank” – omdat indorockgroepen al snel overschakelden op solid body elektrische gitaren, de zogeheten “planken”, in tegenstelling tot de tot dan toe gangbare semi-akoestische gitaren. Een extra ritmegitarist of soms tweede sologitarist ondersteunde de sologitarist met versterkte accenten, tegenritmes of zwaardere baslijnen over twee of drie snaren gespeeld. In sommige gevallen werd innovatief gebruikgemaakt van de baritongitaar als extra solo-instrument (ook wel bekend als de “6-snarige bas”, bekend van onder andere de latere hits van Hank the Knife & the Jets).